Talent

Wat is talent en hoe herkennen wij talent

Een getalenteerde sporter is in trainingen en wedstrijden beter dan, de meeste van, zijn of haar leeftijdgenoten (biologische leeftijd) en heeft de potentie om de top te halen.

Persoonsgebonden kwaliteiten:

  • Fysiek
  • Techniek
  • Tactiek
  • Mentaal

Omgeving (invloed):

  • Ouders, vrienden, familie
  • Buurt waar je opgroeit
  • Competitiestructuur
  • Trainers
  • School

Het start met talentherkenning, en daarna talentontwikkeling. We kijken naar vier verschillende kenmerken waarop we talent kunnen begeleiden en ontwikkelen.

Technische kwaliteiten:

Aannemen, dribbelen, drijven, passen, schieten, koppen, blokken, sliding.

Hoe is zijn balcontrole en aanname, kan hij een tegenstander passeren, ballen inspelen op de juiste snelheid, kan hij een bal afpakken en kan de speler dit ook wanneer de druk toeneemt tijdens de wedstrijd.

Tactische kwaliteiten:

Geef hij een steekpass op het juiste moment, speelt hij iemand in de voeten aan of in de diepte, weet hij op het juiste moment de ruimte te vinden aan de andere kant. Hoe speelt zijn eigen tegenstander en hoe speelt het andere team. Kortom het spelinzicht.

Fysieke kwaliteiten:

Hoe is je explosiviteit en je snelheid. Ben je sterk genoeg om te duelleren.

Genetisch is je explosiviteit en snelheid al bepaald. Om dit te verbeteren gaat het dus maar om enkele procenten. Een voetbaltalent moet dus zeker deze eigenschappen bezitten om zich verder te ontwikkelen.

Mentale kwaliteiten:

Los van zijn fysieke en technische kwaliteiten en competenties moet hij een winnaar zijn. Een winnaar is iemand die ten alle tijden altijd wil leren en winnen, altijd beter wil worden, iemand die kan omgaan met succes maar ook met falen. Veel dingen kun je nog aanleren en verder ontwikkelen maar passie voor het spel is misschien wel genetisch bepaald. Het gaat om prestaties in de zin van leergierigheid, dat ze zich elke dag willen verbeteren. Dat is een lang proces. De intrinsieke motivatie is daarin belangrijk. Wij als trainer/coach moeten de spelers hierbij helpen.

Praten over talent, spelertjes bestempelen als talent en het scouten van erg jonge voetballers blijft een gevoelig onderwerp. Mijn mening is om spelers zo lang mogelijk in zijn/haar vertrouwde omgeving te laten tenminste tot en met de basisschool leeftijd,12/13 jaar. Uit onderzoek van de KNVB blijkt ook dat het schadelijk is voor het kind om te scouten onder de 10 jaar.

In 2007 liet de KNVB onderzoek uitvoeren waaruit bleek dat scouten onder de tien jaar schadelijk is voor het kind. Kinderen worden uit hun vertrouwde omgeving gehaald, trainen zes keer per week en houden geen tijd over voor ontwikkeling op andere gebieden. Bovendien zorgt de druk om te presteren voor stress. Voor de grote groep jongens die de top uiteindelijk niet haalt, rest desillusie. The Guardian beschreef vorig jaar uitgebreid hoe ‘afgeschreven talent’ mentaal worstelt. Er is ook geen garantie voor later succes. Bovendien is uit verschillende onderzoeken gebleken dat vroege talentidentificatie en specialisatie geen garantie geven op later succes. Talent blijkt zich namelijk niet lineair te ontwikkelen. Zo kan het dat spelers die rond de acht jaar heel snel en behendig zijn, deze kwaliteiten na hun groeispurt weer verliezen. Andersom geldt het ook: sommige spelers in de absolute wereldtop zijn pas na hun tiende jaar ontdekt. Onderzoekt heeft aangetoond dat sporters zich niet te vroeg moeten specialiseren op één sport maar hierin moeten variëren, breed motorisch opleiden. Een goed model hiervoor is het Athletic Skills Model (ASM). Dit zorgt voor betere prestaties, minder blessures, meer creativiteit en meer plezier! Voor meer informatie: https://www.athleticskillsmodel.nl/  

Lees het stuk in De Correspondent hieronder:

Geboortemaand effect

Het geboortemaand effect is het effect dat er meer spelers die geboren zijn in de eerste maanden van een selectiejaar geselecteerd worden dan voetballers die geboren zijn in de laatste maanden van een selectiejaar. In de meeste sporten loopt een selectiejaar van januari tot en met december, zo ook in het voetbal.

Kinderen die in januari geboren zijn, zijn bijna een jaar ouder zijn dan hun teamgenoten uit december. Met name bij jonge kinderen is dit een significant groot verschil in leeftijd. Dit brengt voor de relatief oudere kinderen verschillende voordelen met zich mee. Zij zijn over het algemeen groter, sterker, sneller en hebben meer trainingsuren gemaakt waardoor zij ook technisch en tactisch verder zijn.

Bovendien zorgt de voorsprong bij de relatief oudere kinderen voor meer motivatie om nog beter te worden vergeleken met relatief jongere kinderen. Daarbovenop hebben de jongere kinderen juist een verhoogde kans om te stoppen met hun sport in vergelijking tot de oudere kinderen.

“Relatief oudere kinderen hebben een grotere kans om geselecteerd te worden dan jongere kinderen”

Door bovengenoemde voordelen zijn de oudere jeugdvoetballers over het algemeen beter dan hun jongere teamgenoten. Wanneer scouts van professionele voetbalclubs niet corrigeren voor de geboortemaand van jonge talentvolle voetballers, kiezen zij voor de beste speler op een bepaald moment en niet voor de speler met het meeste talent die de beste zal zijn op bijvoorbeeld zijn 18e (wanneer de speler zijn debuut hoopt te maken voor het eerste elftal).

Hierdoor hebben de relatief oudere kinderen een grotere kans om geselecteerd te worden door een professionele sportclub of door een nationaal jeugdelftal dan de jongere kinderen.

Geboortemaand effect nog steeds zichtbaar bij de nationale jeugdelftallen

Figuur 1: De verdeling van de geboortemaanden van de spelers uitkomend voor de nationale jeugdelftallen van onder 15 tot en met onder 20 (gepeild op 18/12/2017).

Bijna de helft van de spelers in de nationale jeugdelftallen is geboren in het eerste kwartaal van het selectiejaar (januari tot en met maart). Slechts 9% viert zijn geboorte in de maanden oktober tot en met december. Hiermee is het aantal spelers dat geboren is in de eerste maanden van het jaar meer dan vijf(!) keer zo groot dan het aantal spelers dat geboren is in de laatste drie maanden van het jaar.

De KNVB erkent inmiddels het probleem en heeft volgens de Correspondent eind 2016 een onderzoeker, Steve Lawrence, de opdracht gegeven om het effect verder te onderzoeken.

Is het geboortemaandeffect ook zichtbaar bij de eerste elftallen in de Eredivisie?

Wanneer spelers de puberteit hebben gehad, zijn de fysieke voordelen die relatief oudere spelers hebben ten opzichte van jonge spelers niet meer aanwezig. Bovendien is het verschil in leeftijd tussen spelers onderling relatief minder groot op latere leeftijd.

Hierdoor zou je verwachten dat de relatief jongere spelers naar boven komen drijven wanneer zij rond hun achttiende bij het eerste elftal komen en dat daarmee het geboortemaandeffect bij eerste elftallen niet meer aanwezig zal zijn. Maar, klopt deze redenering ook?

Figuur 2: De verdeling van de geboortemaanden van de spelers uitkomend in de Eredivisie (gepeild op 18/12/2017).

Het geboortemaandeffect is in de Eredivisie aanzienlijk kleiner dan bij de nationale jeugdelftallen, maar het effect is nog steeds wel aanwezig. 31% van de spelers in de Eredivisie is geboren in het eerste kwartaal van het jaar tegenover 18% dat geboren is in het laatste kwartaal.

Twee keer zoveel selectiespelers uit eerste kwartaal

Uit de cijfers blijkt dat ook in het Nederlandse jeugdvoetbal sprake is van een sterk geboortemaandeffect. Als we kijken naar de cijfers van de eerste elftallen bij alle amateurclubs met minimaal drie teams per leeftijdscategorie in Nederland op dit moment, blijkt dat in alle categorieën het aantal kinderen uit het eerste kwartaal veel hoger is dan het aantal kinderen dat is geboren in het tweede kwartaal. In de jongste categorieën is dat zelfs meer dan twee keer zoveel.

Q1 geboren jan/feb/mrt. Q4 geboren okt/nov/dec. (bron: knvb.nl)

Hoe komt het dat het geboortemaandeffect toch nog steeds zichtbaar is in het volwassen profvoetbal?
Daar zijn verschillende verklaringen voor. Zoals al eerder aangegeven hebben relatief jonge kinderen een verhoogde kans om te stoppen met voetbal, waardoor potentiële profvoetballers die geboren zijn in de maanden oktober tot en met december verloren gaan.

Daarnaast is er nog een andere belangrijke reden dat het geboortemaandeffect nog steeds zichtbaar is in het volwassen profvoetbal. Spelers die namelijk op jonge leeftijd gescout worden door een professionele voetbalclub krijgen al van jongs af aan betere faciliteiten om zich verder te ontwikkelen dan spelers die niet gescout worden.

Hierdoor ontwikkelen de relatief oudere kinderen zich sneller en is de kans groter dat zij beter blijven dan de relatief jongere spelers die niet gescout worden ondanks dat deze jongere spelers in potentie beter waren.

Wat kunnen we hier tegen doen?

Alhoewel het erg lastig is om het geboortemaandeffect tegen te gaan, zijn er weldegelijk verschillende oplossingen. Zo pleit bijvoorbeeld Steve Lawrence ervoor om bij jeugdteams te werken met een minimale gemiddelde leeftijd. Hiermee worden clubs uitgedaagd om ook het talent van de relatief jongere jeugdvoetballers te erkennen.

Een tweede oplossing is om meer leeftijdscategorieën te maken, waardoor het leeftijdsverschil tussen voetballers niet meer één jaar, maar bijvoorbeeld zes maanden is. Dit verkleint het voordeel van de relatief oudere ten opzichte van de jongere jeugdvoetballers.

Coaches en clubs zouden een betere balans moeten vinden tussen korte en lange termijn succes. In het jeugdvoetbal gaat het namelijk niet alleen om winnen. Het belangrijkste doel van de jeugdopleiding is te zorgen dat spelers zich dusdanig ontwikkelen dat zij uiteindelijk doorstromen naar het eerste elftal.

Volgens velen ontbreekt het tegelijkertijd echter ook aan winnaarsmentaliteit bij de Nederlandse voetballers. Een juiste balans tussen succesvol doorstroming naar het eerste elftal en tegelijkertijd de juiste winnaarsmentaliteit creëren is dus cruciaal.

Hierin hebben clubs ook een belangrijke rol door jeugdtrainers niet alleen te beoordelen op resultaten, maar met name op de ontwikkeling van de spelers.

Conclusie

Ondanks dat onderzoekers twaalf jaar geleden al aantoonden dat het geboortemaandeffect in Nederland ervoor zorgt dat talent verloren gaat, hebben de clubs en de KNVB tot op heden nog geen goede oplossing gevonden om dit tegen te gaan.

Wellicht dat Steve Lawrence hier verandering in kan brengen, want met name in de nationale jeugdelftallen is het aandeel spelers dat geboren is in de eerste maanden van het selectiejaar erg groot. Scouts en coaches/trainers van deze vertegenwoordigende elftallen verwarren dus nog steeds leeftijd met talent!

De KNVB heeft een oproep gedaan aan iedereen die betrokken is bij het jeugdvoetbal en bekend is met het geboortemaandeffect. Deze oproep staat in het teken van het delen van mogelijke oplossingen voor het geboortemaandeffect. Meer informatie kun je vinden op de volgende link: https://www.knvb.nl/nieuws/assist-trainers/assist-trainers/63375/geboortemaandeffect-tijd-voor-oplossingen

Biologische leeftijd

Spelen en trainen met spelers van dezelfde biologische leeftijd

Er bestaat verschil tussen de chronologische leeftijd (kalenderleeftijd) van spelers en hun biologische leeftijd. Die lopen niet parallel. Twee spelers kunnen net zo oud zijn, terwijl de een al veel verder is in zijn fysieke en motorische ontwikkeling dan de ander. Een verschil in voetbalvaardigheden is dan soms ook zichtbaar. Op een latere leeftijd elimineren zich deze verschillen van de kinderen die volgroeid zijn. Als club moet je er naar streven om de spelers de beste omgeving te kunnen bieden, zodat zij zich als voetballers optimaal kunnen ontwikkelen. Omdat te kunnen realiseren, moet de club zich verdiepen in de ‘Biologische leeftijd’ van de spelers.

Dus niet  zozeer kijken naar de kalenderleeftijd van spelers, maar ook specifiek naar de biologische leeftijd (leeftijd ten opzichte van de Peak Height Velocity). Zo kun je bepalen of de spelers vroeg, laat of gemiddeld zijn in hun ontwikkeling. De groeispurt varieert per individu, in timing, tempo en duur (jongens tussen de 13-16 jaar en meisjes tussen 10-14 jaar). Deze Peak Height Velocity (PHV) is de maximale snelheid van lengtegroei tijdens de groeispurt. De zogenaamde Age of Peak Height Velocity (APHV) is de tijd die een kind verwijderd is van zijn of haar moment van maximale lengtegroei.

Deze groeiberekening geeft een schatting van waar de speler zich in zijn of haar fysieke ontwikkeling bevindt.  En uiteindelijk wat er “trainbaar” en “minder trainbaar” is voor de speler. De biologische ontwikkelingsleeftijd en het concept “Bio-banding” zijn nauw verbonden. Bio-banding is een concept dat word gebruikt door voetbalbonden in Spanje, België, en England (in de test fase).  Het is een manier van selecteren die ervoor zorgt dat kinderen, die even ver zijn in hun biologische ontwikkeling tegen elkaar uitkomen.

Wat kun je ermee doen:
– De gegevens van de lengte, zitlengte en gewicht geven ons inzicht in hoever de speler verwijderd is van zijn groeispurt.
– Spelers met dezelfde PHV samen laten trainen en wedstrijden laten spelen.
– Binnen het elftal oefenvormen indelen op Biologische leeftijd.
– Bij het beoordelen van het talent in relatie tot de selectieprocedure rekening houden met Biologische leeftijd.
– Blessurepreventie voor onze jeugdspelers in de groeispurt

Hoe ontwikkelen wij talent

Onder talentontwikkeling valt dat je het maximale haalt uit bijzonder talent. Bijzonder talent is dat je beter bent dan gemiddeld. Een echte uitblinker! Deze high potentials maken het verschil binnen een team en zijn in staat de juiste keuzes te maken in topwedstrijden. De kunst zit hem in het herkennen van het talent en daarnaast het herkennen van de persoon met al zijn karaktereigenschappen. Dan uiteindelijk de manier van coachen, zodat die spelers het stadion halen. De truc is dat je erachter komt dat iemand talent heeft en wat dat talent is.

Profiel van een topvoetballer: – Aanpassingsvermogen
Een topvoetballer moet zich snel weten aan te passen aan een hoger niveau. Daarin staan snel denken, handelen en keuzes maken centraal. – Passie en altijd willen winnen
Kenmerk van een echte winnaar is een extreme reactie op verlies en dat hoort bij topsport. Topspelers zijn enorm teleurgesteld als ze verliezen. Teleurgesteld in het presteren van zichzelf en het team. – Altijd willen verbeteren
Een reflecterend vermogen is daarvoor nodig.

De jeugdopleiding van AZ Alkmaar heeft zich de afgelopen jaren enorm ontwikkeld. Spelers uit de eigen opleiding die het betaalde voetbal hebben gehaald zijn onder andere Stengs, Koopmeiners, Wijndal, Boadu, Lens, Hoedt, Vormer, Til, Narsingh, Maher, Vlaar. 

Talent = aanleg x leervermogen x tijd. 

Aanleg kun je onderverdelen in cognitieve capaciteit, fysieke capaciteit, temperament. Aanleg is alles waarmee een speler geboren is.

Leervermogen staat voor ontwikkeling. De mate waarin hij in staat is om zich te ontwikkelen tot een betere speler.

Normal 0 false false false EN-US X-NONE X-NONE

Bouwstenen van Talent: Snel bewegen. Snel denken | instelling. zachte voetjes. 

Normal 0 false false false EN-US X-NONE X-NONE

AZ ontwikkelt spelers die: Het spel begrijpen, eigen keuzes kunnen maken op de hoogste snelheid, technische en fysiek in optimale conditie, 24/7 gericht zijn op presteren, een sterke persoonlijkheid hebben.

Karaktereigenschappen: nieuwsgierig en leergierig, zelfeffectief, nederig, teamgericht, aanpassingsvermogen, altijd gericht zijn op ontwikkeling.

Veel variatie en afwisseling in training en wedstrijd. Trainen op veel verschillende ondergronden zoals steen, gras, kunstgras en zand. Trainen met verschillende medespelers. Wedstrijden spelen tegen veel verschillende tegenstanders in verschillende formaties. Spelen op veel verschillende posities. En het trainen op veel verschillende bewegingen. 

Juiste langetermijnontwikkeling

https://www.az.nl/nl/jeugdopleiding

https://www.az.nl/nl/AZ/university

Wat zijn de 6 breinprincipes en hoe kunnen wij dit toepassen:

Focus: maak het aandachtig, nuttig, voorstelbaar en realistisch. Herhalen: dezelfde boodschap, maar op verschillende momenten en steeds een beetje anders oefenen, spreiden en inslijpen. Emotie: maak het spannend en uitdagend.
Creatie: actief aan de slag, laat dieper nadenken.
Zintuiglijk rijk: voelen, proeven, ruiken, zien…. zet zoveel mogelijk zintuigen in beweging.
Voortbouwen: sluit aan op voorkennis, maak gebruik van associaties en reflecteer.

De 6 breinprincipes

Lees meer over neuroplasticiteit en over de verschillende trainingsmethodes.

Fixed mindset vs Growth mindset

Fixed Mindset:

Iemand met een fixed mindset vermijdt uitdagingen, want dan kan hij geen fouten maken.

  • Hij zoekt steeds bevestiging voor zijn intelligentie, persoonlijkheid en/of karakter.
  • Hij gedraagt zich defensief bij belemmeringen en geeft het al gauw op. Zijn grote angst is namelijk falen, dom overkomen, afgewezen worden en zich een verliezer voelen.
  • Inspanning is zinloos, want als je echt een genie bent, dan hoef je je niet in te zetten.
  • Kritiek komt over als een bedreiging. Leerzame negatieve feedback wordt daarom genegeerd.
  • Ook het succes van anderen wordt gezien als een bedreiging.
  • Iemand met een vaststaande of fixed mindset ontwikkelt zich niet echt en bereikt dus minder dan mogelijk is.
  • De fixed mindset beperkt de prestaties. Deze mindset werkt destructief op (positieve) gedachten en leidt ertoe dat iemand op een verkeerde manier leert.

Growth mindset:

Growth mindset heeft ook invloed op het leren, maar dan op een positieve manier, want iemand met een growth mindset:

  • ziet inspanning als de weg naar meesterschap. Basiskwaliteiten zijn namelijk te ontwikkelen door er moeite voor te doen.
  • heeft motivatie en liefde om te leren. Wat kan worden bereikt door jarenlang te werken en te oefenen ligt niet vast.
  • is blij met uitdagingen en geeft niet op bij tegenslag.
  • ziet kritiek als iets om van te leren en hij laat zich inspireren door het succes van anderen.
  • bereikt door zijn manier van denken een steeds hoger niveau.
Fixed mindset vs Growth mindset
Fixed mindset of Growth mindset

Intrinsieke motivatie: Daadwerkelijk geïnteresseerd. Bewust zelfsturing en uithoudingsvermogen en doorzettingsvermogen. Diepgaand leren, Deep learning.

Extrinsieke motivatie: Druk van buitenaf, persoonlijk belang. Je doet dit omdat het moet. Oppervlakkig leren, Surface learning.

Leerders / sporters halen het meest uit een leertraject wanneer ze intrinsiek gemotiveerd zijn. Intrinsieke motivatie is afhankelijk van de mate van vervulling van de drie psychologische basisbehoeften. Deze behoeften zijn:

  1. autonomie
  2. competentie
  3. relatie/sociale verbondenheid

Autonomie is het gevoel van welwillendheid en keuzevrijheid. Intrinsieke motivatie neemt toe wanneer de leerder / sporter echte, wezenlijk van elkaar verschillende keuzes aangeboden krijgt waarbij het niet doen van een activiteit ook tot de keuzemogelijkheden behoort. Let op: autonomie is niet hetzelfde als zelfstandigheid of onafhankelijkheid.

Competentie is de ervaring van de leerder / sporter dat hij kan vertrouwen op zijn eigen kunnen en daarmee bovendien gewenste resultaten kan behalen. Hoe groter het gevoel van competentie, hoe groter de intrinsieke motivatie. (Leer)ervaringen uit het verleden, zowel positief als negatief, zijn van invloed op het gevoel van competentie.

Relatie/sociale verbondenheid is de behoefte van een leerder / sporter om ergens bij te horen en geaccepteerd en gewaardeerd te worden zoals hij is. Hoe groter het gevoel van sociale verbondenheid bij de leerder / sporter is, hoe groter zijn intrinsieke motivatie zal zijn.

Optimaal leerproces

Leermodellen

Het model van onbewust onbekwaam naar onbewust bekwaam is ontstaan in de jaren zeventig. Het is onduidelijk wie het model heeft ontwikkeld. Het model beschrijft de verschillende fases die je in een leerproces doorloopt. Dit geldt voor elk leerproces. Voor het voelen en snappen hoe het werkt kun je piano leren spelen of leren autorijden als voorbeeld nemen.

Fase 1: Onbewust onbekwaam

Als je iets nog nooit gedaan hebt kan het eenvoudig lijken, op dat moment ben je onbewust onbekwaam. Of je weet niet dat je iets niet weet.  Dit is een neutrale fase. Zeker als je niet weet dat je iets niet weet kan heel comfortabel zijn.

Fase 2: Bewust onbekwaam

In deze fase word je je bewust dat je iets niet kunt. Hier heb je een keuze. Je kunt er voor kiezen bewust onbekwaam te blijven. Of je kiest ervoor dat je iets wilt gaan leren.

In deze fase start je met leren en met oefenen. Je komt  er achter wat er allemaal bij komt kijken en hoeveel oefening er nodig is. Soms heb je dan het idee dat het je nooit gaat lukken. Dit is vaak een onprettig gevoel.

Fase 3: Bewust bekwaam

Langzamerhand krijg je het in de vingers en gaat het je steeds gemakkelijker af. Je wordt bewust bekwaam. Dit is een prettige fase, omdat je merkt dat dingen nu lukken, ook al ben je je hier nog wel bewust van en moet je er nog goed bij nadenken.

Fase 4: Onbewust bekwaam

Tenslotte na heel veel oefening lijken de dingen als vanzelf te gaan. Je wordt onbewust bekwaam.

Je kunt deze fases voortdurend blijven rondgaan. Steeds kun je nieuwe dingen ontdekken die je nog niet kende. Zoals bijvoorbeeld de slipcursus als je inmiddels auto denkt te kunnen rijden. Het is belangrijk om te weten dat bij elk leerproces je door deze fasen heen gaat. Het model kan je helpen te begrijpen waarom bepaalde fases van het leerproces zo onaangenaam voelen. Hierdoor wordt het eenvoudiger deze fases gewoon te doorstaan en het positief te blijven benaderen.

Er is een nauwe relatie tussen de vier ontwikkelingsstadia en de vier leiderschapsstijlen.

Sturen (Stijl 1) is voor mensen die nog geen competentie hebben, maar enthousiast en betrokken zijn (D1). Zij hebben behoefte aan sturing en toezicht om hen op weg te helpen.

Coachen (Stijl 2) is voor mensen met enige competentie, maar met gebrek aan betrokkenheid (D2). Zij hebben sturing en toezicht nodig omdat ze nog tamelijk onervaren zijn. Tevens hebben zij ondersteuning en complimenten nodig om hun zelfvertrouwen op te bouwen en moeten zij zich betrokken voelen bij de besluitvorming om hun inzet op te vijzelen.

Steunen (Stijl 3) is voor mensen die competent zijn, maar gebrek aan zelfvertrouwen of motivatie hebben (D3). Zij hebben niet veel behoefte aan sturing vanwege hun bekwaamheden, maar ondersteuning is noodzakelijk om hun zelfvertrouwen en motivatie op te peppen.

Delegeren (Stijl 4) is voor mensen die competent zijn en een hoge betrokkenheid hebben (D4). Zij zijn uit zichzelf in staat en bereid om aan een taak te werken, met weinig toezicht of ondersteuning.

Het doel van een manager moet zijn, de competentie en het zelfvertrouwen van je mensen geleidelijk te verhogen, zodat je de minder tijdrovende stijlen – steunen en delegeren – kunt gaan gebruiken en toch hoogwaardige resultaten krijgt. Er is in het model van Situationeel leiderschap een relatie tussen het ontwikkelingsniveau en leiderschapsstijl. 

Meer weten over leerstijlen. Bekijk onderstaande filmpjes.

Welke leerstijlen zijn er?
Leerstijlen. Of toch leermythen?

%d bloggers liken dit: